Naailexicon

Tailoring
1/112

Tailoring

Is een plooi die in een kledingstuk wordt genaaid om de pasvorm te optimaliseren.

Afwerkingen
2/112

Afwerkingen

Dit zijn de open randen van een kledingstuk die verfraaid moeten worden. Bijv. mouwopening, halslijn, enz.

Afspelden
3/112

Afspelden

Bij een pasbeurt het kledingstuk met spelden zo af te spelden, zodat het goed zit, om het vervolgens passend om te naaien.

Spelden

Doorstikken
4/112

Doorstikken

Een rand stabiliseren met een of meerdere steken om stoflagen vlak te maken, naadwaarden te fixeren of keeropeningen te sluiten.

Appliceren
5/112

Appliceren

Een motief op de stof aanbrengen. Dit motief (applicatie) kan met de hand, met de naaimachine en/of met behulp van Vliesofix of Stretchfix worden aangebracht.

Applicaties

Mouwplank
6/112

Mouwplank

Een klein, smal strijkplank dat speciaal voor mouwen wordt gebruikt.

Schouderkop
8/112

Schouderkop

Het ronde gebied bij de aanzet van de mouw, waar de schouder zich bevindt.

Omslag
9/112

Omslag

Extra stoflengte, bijvoorbeeld aan het einde van de mouw, die zichtbaar naar buiten wordt omgeslagen, gestreken en vastgenaaid.

Beleg/ Besatz
10/112

Beleg/ Besatz

Mogelijkheid om randen af te werken. Stofstukken die verstevigd zijn en dezelfde vorm hebben als de rand die afgewerkt moet worden, en die aan de binnenkant worden genaaid.

Bies
11/112

Bies

Zichtbare zeer smalle ingenaaide plooien ter versiering.

Bies
12/112

Bies

Met een bies kunnen zichtbare naden worden verborgen, bijvoorbeeld door een bies. Het lijkt sterk op een beleg, maar een bies kan ook naar buiten worden genaaid.

Bies
13/112

Bies

Stofstroken die ter versiering en verfraaiing worden aangebracht. Kan ook worden gebruikt als afwerking van naadwaarden.

Biesband

Briefhoek
14/112

Briefhoek

Methode om een hoek bij het naaien netjes af te werken. Wordt vaak toegepast bij tafelkleden en servetten.

Breukrand of Stofbreuk
15/112

Breukrand/ Stofbreuk

Vouw die ontstaat wanneer de stof dubbel wordt gelegd. Sommige patronen moeten op de stofbreuk worden geplaatst en geknipt.

Borstnaad
16/112

Borstnaad

Ingenaaide plooi in het borstgebied om de stof optimaal aan de ronding te vormen.

Strijkinleg
17/112

Strijkinleg

Vliesstof dat op een stof kan worden gestreken ter versterking. Strijkinlagen zijn er in verschillende diktes voor verschillende toepassingen.

Vlieseline

Strijkproef
18/112

Strijkproef

Op een klein stuk stof wordt getest of de stof geschikt is voor de hitte van het strijkijzer.

Boorden
19/112

Boorden

Elastische stofstroken die als afwerking dienen. Ze worden aan de open uiteinden genaaid en bieden daarmee een betere grip of pasvorm. Boorden kunnen worden genaaid van de elastische stof van het naai-project of van boordenstoffen of kant-en-klare gebreide boorden.

Boordenstoffen

Gebreide boorden

Op elkaar leggen
20/112

Op elkaar leggen

Randen van stoffen precies op elkaar leggen.

Haaknaad
21/112

Haaknaad

Naad aan een reverskraag, die revers en kraag verbindt.

Doorstikken
22/112

Doorstikken

Het overbrengen van een patroon met behulp van een kopieerrad. Men rijdt met het kopieerrad om het patroon, zodat er kleine markeringen in de stof ontstaan.

Doorsteken
23/112

Doorsteken

Het overbrengen van een patroon met behulp van carbonpapier. Het carbonpapier zorgt voor lijnen op de stof zodra het patroon op het papier wordt nagetekend.

Patroonpapier & Kopieerpapier

Afwerken
24/112

Afwerken

Een rand afwerken door deze met een biaisband te naaien.

Biaisband

Inknippen
25/112

Inknippen

Verwijst naar het inkorten van de naadwaarde na het naaien. Hierdoor zijn de naden vlakker.

Inleg
26/112

Inleg

Worden gebruikt om stoffen te versterken. Er zijn inlagen om op te strijken of om op te naaien.

Inlagen & Versterking

Inknipingen
27/112

Inknipingen

Bij hoeken of rondingen worden er na het naaien kleine inkepingen in de naadwaarde gemaakt, zodat de naad plat ligt en de hoek na het keren goed naar buiten kan worden gedrukt.

Rimpelen
28/112

Rimpelen

Stof in kleine plooien leggen om zo een versiering te creëren.

Elastische steek
29/112

Elastische steek

Steektype om elastische stoffen te naaien. Met het gebruik van elastische steken scheurt de naad bij het rekken van de stof niet. Dergelijke steken worden ook gebruikt om elastieken aan de stof vast te naaien.

Elastieken

Elasticiteit
30/112

Elasticiteit

Geeft aan hoe elastisch en rekbaar een stof is.

Endless rits
31/112

Endless rits

Ritsmeterwerk dat geen einde heeft waar de rits zich losmaakt. Wordt bijvoorbeeld gebruikt voor tassen, maar kan niet voor jassen worden gebruikt, omdat de rits zich daar moet losmaken.

Endless rits

Draadloop
32/112

Draadloop

Betekent de stofrichting die in acht moet worden genomen bij het snijden van patroononderdelen. De draadloop loopt altijd parallel aan de weefrand.

Draadspanning
33/112

Draadspanning

Bij de naaimachine kan zowel de spanning van de boven- als de onderdraad worden ingesteld. Als de boven draadspanning te los is ingesteld, ligt de boven draad bij de naad niet perfect op de stof, maar vormt het kleine lussen.

Valse zoom
34/112

Valse zoom

Methode om een rand af te werken wanneer de stoflengte niet voldoende is. Hiervoor wordt een strook van een vergelijkbare stof aan de voorkant van de stof genaaid, vervolgens naar binnen omgevouwen en genaaid.

Fixeren
35/112

Fixeren

Het opstrijken van een tussenvoering, bijv. vlies, op een stof om deze te versterken.

Vlieseline

Vlinder
36/112

Vlinder

Om een split of opening te versterken, wordt aan de bovenkant van de split een klein driehoekje genaaid. Zo kan de split niet verder scheuren.

Pool
37/112

Pool

Velours of Frottee hebben bijvoorbeeld pool. Dit is te herkennen aan het feit dat de stof met de hand in twee richtingen kan worden gestreken.

Franse Naad
38/112

Franse Naad

Een bepaalde naad die tegelijkertijd de randen afwerkt. Beveiligd de randen tegen rafelen en verbergt de onafgewerkte randen.

Vrijhandstikken
39/112

Vrijhandstikken

Met een speciale borduurvoet voor de naaimachine en een rechte steek kunnen eenvoudige motieven of lijnen worden geborduurd, zonder een borduurmachine te gebruiken.

Naaivoeten

Voering
40/112

Voering

Voering wordt vaak in jassen, mantels en blazers genaaid. Het is een extra stoflaag die aan de binnenkant van het kledingstuk wordt genaaid om de naden te verbergen en het aan- en uittrekken van het kledingstuk te vergemakkelijken (gladde en zijdeachtige oppervlakte van de voeringstof).

Voeringstoffen

Garenspoel
41/112

Garenspoel

Kleine metalen of plastic spoel die in de naaimachine voor de onderdraad wordt gebruikt.

Spoelen en capsules

Rechtdoorsteek
42/112

Rechtdoorsteek

Eenvoudige steek die recht loopt en het meest wordt gebruikt.

Handsteken
43/112

Handsteken

Met de hand naaien noemt men handsteken. Ze worden gebruikt voor naden die bijvoorbeeld niet met de naaimachine genaaid kunnen worden.

Heksensteek
44/112

Heksensteek

Handsteek die kruislings wordt genaaid en ter versiering dient.

Hoofdgummi
45/112

Hoofdgummi

Elastische draad die als onderdraad voor het smoken wordt gebruikt.

Elastische naaigaren

Kappnaad of Jeansnaad
46/112

Kappnaad/ Jeansnaad

Een zeer scheurvaste naad die vaak wordt gebruikt voor de binnenbeennaad van jeans.

Knips
47/112

Knips

Een kleine inkeping aan de stofrand dient als markering, bijvoorbeeld voor patroondelen.

Rimpelen
49/112

Rimpelen

Het creëren van plooien, ook wel gathers genoemd.

Krijt
50/112

Krijt

Wordt gebruikt om stoffen te markeren. Er is ook krijtpoeder dat wordt gebruikt bij een krijtpuster (rokafronder).

Markeergereedschappen

Boogliniaal
51/112

Boogliniaal

Flexibele liniaal om de lengte op gebogen plaatsen te bepalen.

Naaimallen

Korte stoffen
52/112

Korte stoffen

Overkoepelende term voor Naaigerei.

Linker en rechter stofzijde
53/112

Linker stofzijde/ Rechter stofzijde

De linker zijde moet als binnenste stofzijde worden gebruikt. Het is de minder mooie stofzijde. De rechter stofzijde is de mooiere zijde (bijv. de kleur is sterker) en moet als buitenzijde worden gebruikt.

Rechts op rechts leggen
54/112

Rechts op rechts leggen

Hierbij worden twee snitdelen met de verkeerde kant op elkaar gelegd, zodat beide verkeerde zijden elkaar ontmoeten (de mooie zijden zijn dus aan de buitenkant).

Manchet
55/112

Manchet

Mouwafsluiting, die meestal door een voering wordt verstevigd en met knopen wordt gesloten.

Matrassteek
56/112

Matrassteek

Onzichtbare handsteek die wordt gebruikt om keeropeningen te sluiten.

Meerdere maten patroon
57/112

Meerdere maten patroon

Patroon dat meerdere maten om te kopiëren bevat.

Meerwijdte
58/112

Meerwijdte

Het toevoegen van enkele millimeters stof aan patroondelen van mouwen of broekspijpen om meer bewegingsvrijheid te hebben. Door te rekken en handvaardigheid ontstaan er bij het verwerken geen plooien of rimpels.

Naaivoet
59/112

Naaivoet

Hiermee wordt de stof langs de naaimachine geleid. Daarnaast oefent de naaivoet van bovenaf druk uit, zodat de stof niet kan verschuiven. Naaivoeten zijn er voor verschillende toepassingsgebieden.

Naaivoeten

Naadschaduw
60/112

Naadschaduw

In een reeds bestaande naad wordt een andere naad gezet, die dan nauwelijks te zien is. In de naadschaduw wordt bijvoorbeeld genaaid om bij tassen buiten- en binnenvoering op bepaalde plaatsen met elkaar te verbinden. Ook bij kledingstukken kan hiermee een bies onzichtbaar vastgestikt worden.

Naadwaarde
61/112

Naadwaarde

Bij het snijden van patroondelen wordt vaak een naadwaarde van ongeveer 1-1,5 cm toegevoegd. Dit vereenvoudigt het naaien en het naaiproject wordt tijdens het naaien niet kleiner dan het zou moeten zijn.

Bovendraad
62/112

Bovendraad

Naai draad dat zich bovenaan de naaimachine bevindt en van boven naar de naald loopt. Tijdens het naaien bevindt het zich ook aan de bovenkant van de stof.

Obertransportvoet
63/112

Obertransportvoet

Een obertransportvoet wordt in plaats van de normale naaivoet bevestigd. Met deze speciale voet worden de bovenste en onderste stoflaag gelijkmatig getransporteerd. De naaivoet kan worden gebruikt met zware of zeer lichte stoffen om het naairesultaat te verbeteren.

Ogen
64/112

Ogen

Ring van metaal of plastic, dat de randen van gaten stabiliseert, zodat koorden, veters of anderszins door de gaten kunnen worden getrokken.

Ogen

Overlock
65/112

Overlock

Vereenvoudigd naaien van randen met een "Overlock" machine. De machine naait de stof in één werkgang aan elkaar, maakt het af en snijdt het nauwkeurig af.

Pasband
66/112

Pasband

Smalle band om te versieren of om randen af te werken. Hierbij wordt het band niet om de randen gelegd, maar tussen de randen genaaid.

Pasband

Pasknips of Passtekens
67/112

Pasknips/ Passtekens

Markering (kleine dwarsstrepen) in een patroon bij lange naden, die op de stof moeten worden overgebracht. Ze dienen ervoor dat het patroon op de juiste plek in elkaar wordt gezet, zodat bijvoorbeeld mouwen of broekspijpen niet gedraaid worden genaaid.

Patchwork
68/112

Patchwork

Het aan elkaar naaien van verschillende kleine stukjes stof om een groot stuk te creëren.

Patchwork-wereld

Pilling
69/112

Pilling

Ongewenste bobbel- en pluisvorming bij stoffen.

Dwarsgarensloop
70/112

Dwarsgarensloop/ Horizontaal aan de garensloop

De dwarsgarensloop loopt van de weefrand naar de weefrand over de gehele breedte van de stof.

Gathering
71/112

Gathering

Invoegen van een rijgdraden, zodat er meerdere kleine plooien ontstaan.

Herhaling
72/112

Herhaling

Een herhalend patroon op de stof of de afstand tussen twee herhalende patronen, die bij het snijden in acht moet worden genomen, zodat het patroon bij samengevoegde delen verderloopt.

Rechts op rechts leggen
73/112

Rechts op rechts leggen

Hier worden twee snijdelen met de rechte kanten op elkaar gelegd. De minder mooie kant is dus aan de buitenkant.

Rokafrontrond
74/112

Rokafrontrond (Krijtblazer)

Wordt gebruikt om te markeren terwijl je staat. Terwijl je het kledingstuk draagt, druk je op de krijtblazer en draai je rond. De krijtblazer heeft een stevige voet en is in hoogte verstelbaar. Zo kun je rondom op een bepaalde hoogte een krijtmarkering aanbrengen.

Rolzoom
75/112

Rolzoom

Rotary cutter
76/112

Rotary cutter

Met een rotary cutter kun je rond het patroon snijden en zo de stof nauwkeurig knippen.

Rotary cutter

Rimpel
77/112

Rimpel

Geraffte stofstrook die ter versiering wordt genaaid.

Zoomband
78/112

Zoomband

Band van kleefvlies voor het afwerken van randen, dat niet genaaid hoeft te worden, maar gestreken wordt.

Zomen
79/112

Zomen

Zichtbare randen worden hierbij tot nette afwerkingen verwerkt, door ze bijvoorbeeld om te slaan en vast te naaien.

Zoomtoeslag
80/112

Zoomtoeslag

Extra toeslag aan de stofbreedte van de snijdelen, om extra stof voor het zomen te kunnen gebruiken.

Slijtagecycli
81/112

Slijtagecycli

Met slijtagecycli wordt de slijtvastheid van een meubelbekledingsstof of meubelstof bedoeld. De hoogte van de slijtagecycli wordt bepaald in een slijtage-test. Hoe hoger de waarde, hoe slijtvaster en daarmee duurzamer de stof. Meubelstoffen hebben minimaal 30.000 slijtagecycli en zijn daardoor robuuster en duurzamer bij intensief gebruik dan meubelstoffen. Meubelstoffen hebben 10.000 – 30.000 slijtagecycli en zijn daardoor duurzamer dan normale decoratiestoffen.

Meubelstoffen

Meubelstoffen

Snijondergrond oder snijmat
82/112

Snijmat/ Snijondergrond

Dient als snijondergrond beim Zuschneiden von Schnittteilen. Besonders geeignet beim Benutzen eines rolschneider.

Naaipop of Naaibuste
83/112

Naaipop/ Naaibuste

Model van een lichaam in een bepaalde confectiemaat om kledingstukken aan te passen.

Naaipoppen

Snijpatroonlay-out
84/112

Snijpatroonlay-out

Plan hoe de patronen op de stof gelegd moeten worden. Hierbij moet de draadloop in acht worden genomen.

Patronen
85/112

Patronen

Losse gesneden stofdelen die samen een naai-project vormen. De patronen komen voort uit het patroon.

Schuin op de draadloop
86/112

Schuin op de draadloop

Schuin of diagonaal op de draadloop loopt de lijn in een hoek van 45 graden ten opzichte van de wegrand. Schuinband wordt bijvoorbeeld diagonaal op de draadloop gesneden.

Rimpelen
87/112

Rimpelen

Handwerktechniek waarbij de stof in banen wordt samengebracht. Kan ook met de naaimachine en een elastisch garen worden uitgevoerd. De techniek wordt vaak gebruikt voor tops of boorden.

Spiegel
88/112

Spiegel

Patroononderdeel dat over een (broek)zak wordt genaaid, zodat de voering van de insteekzak niet zichtbaar is.

Staven
89/112

Staven

Flexibele staaf die kan worden genaaid ter versterking in kleding, bijvoorbeeld in bh's of korsetten.

Steg/ Schacht
90/112

Steg/ Schacht

Afstandhouder die tussen de knop en de stof wordt genaaid, zodat de stof niet wordt ingedrukt.

Doorstiknaad
91/112

Doorstiknaad

Rechtdoorsteek, die ter versiering dicht bij een rand wordt genaaid.

Stofvouw
92/112

Stofvouw

Vouw die ontstaat wanneer de stof dubbel wordt gelegd. Sommige patronen moeten op de stofvouw worden geplaatst en geknipt.

Lijn van een stof
93/112

Lijn van een stof

Bepaalde stoffen hebben een bepaalde lijnrichting, bijvoorbeeld, fluweel verandert van uiterlijk, afhankelijk van de richting waarin je met je hand eroverheen gaat.

Fluweel

Taille naden
94/112

Taille naden

Het naaien van een binnenste plooi in een bepaalde vorm, zodat het kledingstuk beter aansluit op de taille.

Trekbare rits
95/112

Trekbare rits

Rits die losgemaakt kan worden. Wordt gebruikt voor jassen en mantels, zodat de jas volledig geopend kan worden en men er gemakkelijk in kan stappen.

Trekbare ritsen

Textiellijm
96/112

Textiellijm

Hulpmiddel voor het plakken van patches, applicaties, banden, kant of andere dingen op textiel.

Textiellijm

Thermovlies
97/112

Thermovlies

Vlies dat op de binnenkant van een stof of tussen 2 stoflagen wordt gestreken en verwarmende eigenschappen heeft.

Tunneltrek
98/112

Tunneltrek

Stof tunnel, dat aan een zoom wordt genaaid om een elastiek of een band door de tunnel te trekken.

Overgang
99/112

Overgang

Voorkant van een jas, waar de knopen zich bevinden.

Onderdraad
100/112

Onderdraad

Naai draad die op de spoel is gewikkeld en zich aan de onderkant van de stof bevindt tijdens het naaien.

Onderklep
101/112

Onderklep

Voorkant van een jas, waaraan de knopen zijn genaaid.

Verborgen rits
102/112

Verborgen rits

Rits die in een rok, jurk of een ander chique kledingstuk wordt genaaid, die in gesloten toestand nauwelijks of zelfs helemaal niet zichtbaar is.

Onzichtbare ritsen

Vergrendelen
103/112

Vergrendelen

Om te voorkomen dat de naad weer losraakt, moeten aan het begin en het einde van de naad enkele steken vooruit en achteruit worden genaaid.

Sluitingstrook
104/112

Sluitingstrook

Aan een rand worden twee stofstroken genaaid ter versterking, zodat daarop een sluiting kan worden aangebracht, bijvoorbeeld een knoopsluiting.

Verstevigen
105/112

Verstevigen

Stoffen kunnen worden versterkt met een extra stoflaag, hiervoor wordt vaak vlies gebruikt. Meestal worden stoffen op het gebied van de kraag, aan de taille of aan de manche versterkt. Ook zakken of hoeden worden vaak voorzien van een versterkte voering.

Vlieseline & Co.

Omzetten
106/112

Omzetten

Het omdraaien van het genaaide door de keeropening naar de goede kant.

Volant
107/112

Volant

Stofstuk dat ter versiering wordt genaaid. Na het naaien vormt een volant lichte golven.

Webrand
108/112

Webrand

Vaste rand van een stof. Parallel aan de webrand loopt ook de draadloop.

Zigzagschaar
109/112

Zigzagschaar

Een zigzagschaar snijdt zoals de naam al zegt in zigzags, waardoor stevigere stoffen niet meer aan de randen hoeven te worden afgewerkt.

Naaischaren

Zigzagsteek
110/112

Zigzagsteek

Steektype die in een zigzagpatroon loopt en bijzonder belangrijk is voor het afwerken of het naaien van elastische stoffen, zoals bijvoorbeeld jersey.

Tweepuntsnaald
111/112

Tweepuntsnaald

Naaimachinenaald met twee naalden. Met de naald kun je eenvoudig randen doorstikken of decoratieve steken aanbrengen.

Naaimachinenaalden

Tussenvoering
112/112

Tussenvoering

Warmte-isolerende stoflaag die tussen de buitenstof en de voering wordt genaaid.