Tailoring
Is een plooi die in een kledingstuk wordt genaaid om de pasvorm te optimaliseren.
Is een plooi die in een kledingstuk wordt genaaid om de pasvorm te optimaliseren.
Dit zijn de open randen van een kledingstuk die verfraaid moeten worden. Bijv. mouwopening, halslijn, enz.
Bij een pasbeurt het kledingstuk met spelden zo af te spelden, zodat het goed zit, om het vervolgens passend om te naaien.
Een rand stabiliseren met een of meerdere steken om stoflagen vlak te maken, naadwaarden te fixeren of keeropeningen te sluiten.
Een motief op de stof aanbrengen. Dit motief (applicatie) kan met de hand, met de naaimachine en/of met behulp van Vliesofix of Stretchfix worden aangebracht.
Een klein, smal strijkplank dat speciaal voor mouwen wordt gebruikt.
Kan zeer goed worden gebruikt als patroonpapier/ kopieerpapier, omdat het transparant is.
Het ronde gebied bij de aanzet van de mouw, waar de schouder zich bevindt.
Extra stoflengte, bijvoorbeeld aan het einde van de mouw, die zichtbaar naar buiten wordt omgeslagen, gestreken en vastgenaaid.
Mogelijkheid om randen af te werken. Stofstukken die verstevigd zijn en dezelfde vorm hebben als de rand die afgewerkt moet worden, en die aan de binnenkant worden genaaid.
Zichtbare zeer smalle ingenaaide plooien ter versiering.
Met een bies kunnen zichtbare naden worden verborgen, bijvoorbeeld door een bies. Het lijkt sterk op een beleg, maar een bies kan ook naar buiten worden genaaid.
Stofstroken die ter versiering en verfraaiing worden aangebracht. Kan ook worden gebruikt als afwerking van naadwaarden.
Methode om een hoek bij het naaien netjes af te werken. Wordt vaak toegepast bij tafelkleden en servetten.
Vouw die ontstaat wanneer de stof dubbel wordt gelegd. Sommige patronen moeten op de stofbreuk worden geplaatst en geknipt.
Ingenaaide plooi in het borstgebied om de stof optimaal aan de ronding te vormen.
Vliesstof dat op een stof kan worden gestreken ter versterking. Strijkinlagen zijn er in verschillende diktes voor verschillende toepassingen.
Op een klein stuk stof wordt getest of de stof geschikt is voor de hitte van het strijkijzer.
Elastische stofstroken die als afwerking dienen. Ze worden aan de open uiteinden genaaid en bieden daarmee een betere grip of pasvorm. Boorden kunnen worden genaaid van de elastische stof van het naai-project of van boordenstoffen of kant-en-klare gebreide boorden.
Randen van stoffen precies op elkaar leggen.
Naad aan een reverskraag, die revers en kraag verbindt.
Het overbrengen van een patroon met behulp van een kopieerrad. Men rijdt met het kopieerrad om het patroon, zodat er kleine markeringen in de stof ontstaan.
Het overbrengen van een patroon met behulp van carbonpapier. Het carbonpapier zorgt voor lijnen op de stof zodra het patroon op het papier wordt nagetekend.
Verwijst naar het inkorten van de naadwaarde na het naaien. Hierdoor zijn de naden vlakker.
Worden gebruikt om stoffen te versterken. Er zijn inlagen om op te strijken of om op te naaien.
Bij hoeken of rondingen worden er na het naaien kleine inkepingen in de naadwaarde gemaakt, zodat de naad plat ligt en de hoek na het keren goed naar buiten kan worden gedrukt.
Stof in kleine plooien leggen om zo een versiering te creëren.
Steektype om elastische stoffen te naaien. Met het gebruik van elastische steken scheurt de naad bij het rekken van de stof niet. Dergelijke steken worden ook gebruikt om elastieken aan de stof vast te naaien.
Geeft aan hoe elastisch en rekbaar een stof is.
Ritsmeterwerk dat geen einde heeft waar de rits zich losmaakt. Wordt bijvoorbeeld gebruikt voor tassen, maar kan niet voor jassen worden gebruikt, omdat de rits zich daar moet losmaken.
Betekent de stofrichting die in acht moet worden genomen bij het snijden van patroononderdelen. De draadloop loopt altijd parallel aan de weefrand.
Bij de naaimachine kan zowel de spanning van de boven- als de onderdraad worden ingesteld. Als de boven draadspanning te los is ingesteld, ligt de boven draad bij de naad niet perfect op de stof, maar vormt het kleine lussen.
Methode om een rand af te werken wanneer de stoflengte niet voldoende is. Hiervoor wordt een strook van een vergelijkbare stof aan de voorkant van de stof genaaid, vervolgens naar binnen omgevouwen en genaaid.
Het opstrijken van een tussenvoering, bijv. vlies, op een stof om deze te versterken.
Om een split of opening te versterken, wordt aan de bovenkant van de split een klein driehoekje genaaid. Zo kan de split niet verder scheuren.
Een bepaalde naad die tegelijkertijd de randen afwerkt. Beveiligd de randen tegen rafelen en verbergt de onafgewerkte randen.
Met een speciale borduurvoet voor de naaimachine en een rechte steek kunnen eenvoudige motieven of lijnen worden geborduurd, zonder een borduurmachine te gebruiken.
Voering wordt vaak in jassen, mantels en blazers genaaid. Het is een extra stoflaag die aan de binnenkant van het kledingstuk wordt genaaid om de naden te verbergen en het aan- en uittrekken van het kledingstuk te vergemakkelijken (gladde en zijdeachtige oppervlakte van de voeringstof).
Kleine metalen of plastic spoel die in de naaimachine voor de onderdraad wordt gebruikt.
Eenvoudige steek die recht loopt en het meest wordt gebruikt.
Met de hand naaien noemt men handsteken. Ze worden gebruikt voor naden die bijvoorbeeld niet met de naaimachine genaaid kunnen worden.
Handsteek die kruislings wordt genaaid en ter versiering dient.
Elastische draad die als onderdraad voor het smoken wordt gebruikt.
Een zeer scheurvaste naad die vaak wordt gebruikt voor de binnenbeennaad van jeans.
Een kleine inkeping aan de stofrand dient als markering, bijvoorbeeld voor patroondelen.
Het creëren van plooien, ook wel gathers genoemd.
Wordt gebruikt om stoffen te markeren. Er is ook krijtpoeder dat wordt gebruikt bij een krijtpuster (rokafronder).
De linker zijde moet als binnenste stofzijde worden gebruikt. Het is de minder mooie stofzijde. De rechter stofzijde is de mooiere zijde (bijv. de kleur is sterker) en moet als buitenzijde worden gebruikt.
Hierbij worden twee snitdelen met de verkeerde kant op elkaar gelegd, zodat beide verkeerde zijden elkaar ontmoeten (de mooie zijden zijn dus aan de buitenkant).
Mouwafsluiting, die meestal door een voering wordt verstevigd en met knopen wordt gesloten.
Onzichtbare handsteek die wordt gebruikt om keeropeningen te sluiten.
Patroon dat meerdere maten om te kopiëren bevat.
Het toevoegen van enkele millimeters stof aan patroondelen van mouwen of broekspijpen om meer bewegingsvrijheid te hebben. Door te rekken en handvaardigheid ontstaan er bij het verwerken geen plooien of rimpels.
Hiermee wordt de stof langs de naaimachine geleid. Daarnaast oefent de naaivoet van bovenaf druk uit, zodat de stof niet kan verschuiven. Naaivoeten zijn er voor verschillende toepassingsgebieden.
In een reeds bestaande naad wordt een andere naad gezet, die dan nauwelijks te zien is. In de naadschaduw wordt bijvoorbeeld genaaid om bij tassen buiten- en binnenvoering op bepaalde plaatsen met elkaar te verbinden. Ook bij kledingstukken kan hiermee een bies onzichtbaar vastgestikt worden.
Bij het snijden van patroondelen wordt vaak een naadwaarde van ongeveer 1-1,5 cm toegevoegd. Dit vereenvoudigt het naaien en het naaiproject wordt tijdens het naaien niet kleiner dan het zou moeten zijn.
Naai draad dat zich bovenaan de naaimachine bevindt en van boven naar de naald loopt. Tijdens het naaien bevindt het zich ook aan de bovenkant van de stof.
Een obertransportvoet wordt in plaats van de normale naaivoet bevestigd. Met deze speciale voet worden de bovenste en onderste stoflaag gelijkmatig getransporteerd. De naaivoet kan worden gebruikt met zware of zeer lichte stoffen om het naairesultaat te verbeteren.
Ring van metaal of plastic, dat de randen van gaten stabiliseert, zodat koorden, veters of anderszins door de gaten kunnen worden getrokken.
Vereenvoudigd naaien van randen met een "Overlock" machine. De machine naait de stof in één werkgang aan elkaar, maakt het af en snijdt het nauwkeurig af.
Smalle band om te versieren of om randen af te werken. Hierbij wordt het band niet om de randen gelegd, maar tussen de randen genaaid.
Markering (kleine dwarsstrepen) in een patroon bij lange naden, die op de stof moeten worden overgebracht. Ze dienen ervoor dat het patroon op de juiste plek in elkaar wordt gezet, zodat bijvoorbeeld mouwen of broekspijpen niet gedraaid worden genaaid.
Het aan elkaar naaien van verschillende kleine stukjes stof om een groot stuk te creëren.
Ongewenste bobbel- en pluisvorming bij stoffen.
De dwarsgarensloop loopt van de weefrand naar de weefrand over de gehele breedte van de stof.
Invoegen van een rijgdraden, zodat er meerdere kleine plooien ontstaan.
Een herhalend patroon op de stof of de afstand tussen twee herhalende patronen, die bij het snijden in acht moet worden genomen, zodat het patroon bij samengevoegde delen verderloopt.
Hier worden twee snijdelen met de rechte kanten op elkaar gelegd. De minder mooie kant is dus aan de buitenkant.
Wordt gebruikt om te markeren terwijl je staat. Terwijl je het kledingstuk draagt, druk je op de krijtblazer en draai je rond. De krijtblazer heeft een stevige voet en is in hoogte verstelbaar. Zo kun je rondom op een bepaalde hoogte een krijtmarkering aanbrengen.
Met een rotary cutter kun je rond het patroon snijden en zo de stof nauwkeurig knippen.
Geraffte stofstrook die ter versiering wordt genaaid.
Band van kleefvlies voor het afwerken van randen, dat niet genaaid hoeft te worden, maar gestreken wordt.
Zichtbare randen worden hierbij tot nette afwerkingen verwerkt, door ze bijvoorbeeld om te slaan en vast te naaien.
Extra toeslag aan de stofbreedte van de snijdelen, om extra stof voor het zomen te kunnen gebruiken.
Met slijtagecycli wordt de slijtvastheid van een meubelbekledingsstof of meubelstof bedoeld. De hoogte van de slijtagecycli wordt bepaald in een slijtage-test. Hoe hoger de waarde, hoe slijtvaster en daarmee duurzamer de stof. Meubelstoffen hebben minimaal 30.000 slijtagecycli en zijn daardoor robuuster en duurzamer bij intensief gebruik dan meubelstoffen. Meubelstoffen hebben 10.000 – 30.000 slijtagecycli en zijn daardoor duurzamer dan normale decoratiestoffen.
Dient als snijondergrond beim Zuschneiden von Schnittteilen. Besonders geeignet beim Benutzen eines rolschneider.
Model van een lichaam in een bepaalde confectiemaat om kledingstukken aan te passen.
Plan hoe de patronen op de stof gelegd moeten worden. Hierbij moet de draadloop in acht worden genomen.
Losse gesneden stofdelen die samen een naai-project vormen. De patronen komen voort uit het patroon.
Schuin of diagonaal op de draadloop loopt de lijn in een hoek van 45 graden ten opzichte van de wegrand. Schuinband wordt bijvoorbeeld diagonaal op de draadloop gesneden.
Handwerktechniek waarbij de stof in banen wordt samengebracht. Kan ook met de naaimachine en een elastisch garen worden uitgevoerd. De techniek wordt vaak gebruikt voor tops of boorden.
Patroononderdeel dat over een (broek)zak wordt genaaid, zodat de voering van de insteekzak niet zichtbaar is.
Flexibele staaf die kan worden genaaid ter versterking in kleding, bijvoorbeeld in bh's of korsetten.
Afstandhouder die tussen de knop en de stof wordt genaaid, zodat de stof niet wordt ingedrukt.
Rechtdoorsteek, die ter versiering dicht bij een rand wordt genaaid.
Vouw die ontstaat wanneer de stof dubbel wordt gelegd. Sommige patronen moeten op de stofvouw worden geplaatst en geknipt.
Bepaalde stoffen hebben een bepaalde lijnrichting, bijvoorbeeld, fluweel verandert van uiterlijk, afhankelijk van de richting waarin je met je hand eroverheen gaat.
Het naaien van een binnenste plooi in een bepaalde vorm, zodat het kledingstuk beter aansluit op de taille.
Rits die losgemaakt kan worden. Wordt gebruikt voor jassen en mantels, zodat de jas volledig geopend kan worden en men er gemakkelijk in kan stappen.
Hulpmiddel voor het plakken van patches, applicaties, banden, kant of andere dingen op textiel.
Vlies dat op de binnenkant van een stof of tussen 2 stoflagen wordt gestreken en verwarmende eigenschappen heeft.
Stof tunnel, dat aan een zoom wordt genaaid om een elastiek of een band door de tunnel te trekken.
Voorkant van een jas, waar de knopen zich bevinden.
Naai draad die op de spoel is gewikkeld en zich aan de onderkant van de stof bevindt tijdens het naaien.
Voorkant van een jas, waaraan de knopen zijn genaaid.
Rits die in een rok, jurk of een ander chique kledingstuk wordt genaaid, die in gesloten toestand nauwelijks of zelfs helemaal niet zichtbaar is.
Om te voorkomen dat de naad weer losraakt, moeten aan het begin en het einde van de naad enkele steken vooruit en achteruit worden genaaid.
Aan een rand worden twee stofstroken genaaid ter versterking, zodat daarop een sluiting kan worden aangebracht, bijvoorbeeld een knoopsluiting.
Stoffen kunnen worden versterkt met een extra stoflaag, hiervoor wordt vaak vlies gebruikt. Meestal worden stoffen op het gebied van de kraag, aan de taille of aan de manche versterkt. Ook zakken of hoeden worden vaak voorzien van een versterkte voering.
Het omdraaien van het genaaide door de keeropening naar de goede kant.
Stofstuk dat ter versiering wordt genaaid. Na het naaien vormt een volant lichte golven.
Vaste rand van een stof. Parallel aan de webrand loopt ook de draadloop.
Een zigzagschaar snijdt zoals de naam al zegt in zigzags, waardoor stevigere stoffen niet meer aan de randen hoeven te worden afgewerkt.
Steektype die in een zigzagpatroon loopt en bijzonder belangrijk is voor het afwerken of het naaien van elastische stoffen, zoals bijvoorbeeld jersey.
Naaimachinenaald met twee naalden. Met de naald kun je eenvoudig randen doorstikken of decoratieve steken aanbrengen.
Warmte-isolerende stoflaag die tussen de buitenstof en de voering wordt genaaid.